Tao: bron van alles

De Tao, ofwel het Pad of de Weg, is een essentieel onderdeel van de oosterse filosofie. Het wordt de bron én bestemming van alles genoemd, zonder begin of eind. Het wordt ook wel aangeduid als universum, het alles en het niets. De sleutel tot Tao is Wu Wei (niet-handelen): niets doen dat tegennatuurlijk is, of spontaan handelen. Je kunt het zien als zwemmen met de stroom mee. Het doel is te leven vanuit en met de natuur en ermee in evenwicht te komen. Als je de Tao begrijpt, begrijp je ook meer van de wisselingen van de seizoenen, de levenscyclus en de plaats van de mens in de wereld.

Vanuit de Tao vloeien tegengestelde, maar ook aanvullende en in elkaar vloeiende, krachten voort. Hoewel de westerse wetenschap uitgaat van dualiteit: zwart of wit, heeft de oosterse filosofie het over Yin en Yang: zwart én wit. Het zijn geen absolute polen, zoals goed en kwaad maar bestaan ten opzichte van elkaar: vrouwelijk en mannelijk, warm en koud, rust en activiteit, vreugde en verdriet. Als je een berg in gedachten neemt, is Yin de schaduwkant (donker en koud met een donderwolk) en Yang de zonkant (licht en warm met een stralende zon). Niets is volledig Yin of volledig Yang. Yin én Yang geven leven aan alles en vormen samen één geheel. De één vult het ander aan. De één zou dus betekenisloos zijn zonder de ander. Immers, hoe kun je geluk ervaren als je geen ongelukkige tijden hebt gekend? In een eeuwige, onafscheidelijke, vloeiende dans vormen Yin en Yang een perfecte balans.

Als de Yin en Yang in je lichaam in harmonie zijn ben je gezond. Meestal is er echter een disbalans. Wanneer je moe, koud en verdrietig bent, ben je meer Yin. Ben je echter ontzettend energiek, verhit en hysterisch dan ben je meer Yang.